Nieuws & Blogs

Fotografie van No Candy

Sterren in Amsterdam

Auteur Mama Cash

Dit is een guest post van Mounir Samuel voor onze campagne #MyBodyisMine

Het was een zwoele zomeravond, de laatste dag van augustus. Ik zat onder een boom in Westerpark en staarde naar de wolkeloze hemel. De lucht was een dieppaars, indigo haast. Er was bijna niemand in het park. Ik had geen haast. Niemand die mij opwachtte thuis. Niemand zelfs die wist waar ik was.

Mijn relatie was uit. Alweer. Of opnieuw. Ik was de tel kwijt. Ze was al zo vaak gekomen en weer uitgevlogen. Een onmogelijke liefde met een Egyptisch meisje, islamitisch, in de kast, gevangene van haar ouderlijk huis. Ze was op dat moment maar twee minuten van me verwijderd, daar bij haar familie. Twee minuten, maar twee werelden ver van mij vandaan. Geen zin om op te staan – bleef ik zitten. En maar kijken naar de nacht. De takken van de bomen, roerloos stil. En opeens besefte ik dat dit is wat ik wil: niet vrij zijn, maar van die vrijheid kunnen genieten.

Los van familie en relatie, vaste baan of zelfs maar routinematige verplichtingen, heb ik een vrijheid die beklemmend eng is.

Ik kan iedere dag leven als een ultiem geschenk. Ik heb letterlijk totale vrijheid; genoeg geld, de juiste papieren, een fijn bordeaux-rood paspoort – geen land, persoon of plaats die mij de vrijheid ontzegt.

Ik kan nu naar Schiphol gaan en het eerste ticket boeken naar waar ook. Ik kan nu de stad inlopen en pas over twee dagen thuiskomen, of drie.

Ik doe het niet.

Steker nog, ik heb het nooit gedaan.

Iets houdt mij gevangen in de begrenzing van mijn eigen tijd én vrijheid.

En zo leef ik iedere dag – eet, drink, denk, wandel, praat, praat veel, slaap en struikel verder – soms verrast, soms lamlendig, soms uitbundig, soms verslagen, maar nooit bewust van de wonderlijke 24 uur die ik nu weer uit de gulle hand van mijn maker ontvangen heb.

Maar nu zit ik onder deze boom en terwijl de tijd verstrijkt, zonder me er onderdeel van te voelen, neem ik een besluit.

De laatste keer dat ik langer dan een dag gelukkig was, in vrolijke onschuld rond rende, was ik tien. Toen kreeg ik de eerste klap. En nog één.

Hard dreunde het eind van mijn kindertijd.

Ik werd slechtziend. Bleek op het verkeerde geslacht te vallen. Te slim, te irritant, een probleemkind met een rapport vol tienen in de hand, rookte niet, dronk niet, werd toch als een “geval” gezien, therapie om een einde te maken aan al die “wanen” en ik die me steeds meer ging schamen voor dat vrouwelijke lijf van mij.

Fluisterde dat ik een jongen was, zei het zelfs hardop in groep zes bij een spreekbeurt voor de klas. Het was de enige keer dat ik een onvoldoende kreeg.

Verliefd, verloofd, getrouwd, gescheiden. En dan de voorzichtige ontdekkingstocht in mijn liefde voor meiden – die al even gebroken zijn als ik.

Misbruikt. Met ogen en monden uitgekleed, grenzeloos betast. Levend voor ieders behalve hun eigen geluk. Gevormd door cultuur en zogenaamde beschaving, die hen nooit voor vol ziet. In hun poging hun “mannetje” te staan, maskeren ze hun verdriet, sluiten dat hart. Betonnen muren, geven iedere liefde een valse start.

Ik sta toch maar op, rek en strek stijve ledematen. En begin te lopen, langzaam, kijkend naar boven. Sterren in Amsterdam.

Over dertig dagen ben ik jarig, schiet er door mijn hoofd. Wat een jaar, wat een leven. En opeens neem ik een besluit: ik ga mezelf het geluk terug geven.

De dertig gelukkigste dagen tot nu toe.
Heb geen idee hoe die eruit moeten zien, maar dat ga ik ontdekken. Met mezelf op avontuur in deze stad, deze tijd, mijn eigen hart.

Uit die schulp, iedere dag een eerste keer en m’n zegeningen tellen – minstens vijf – iedere dag weer.

  1. Fietsen door Westerpark in het trage licht van de ondergaande zon, de geuren van de aanstaande zomer kriebelen in mijn neusgaten, herinneringen, eindeloos veel, aan mij en m’n lief en de liefde die niet is, de tranen prikken achter m’n ogen maar het lukt me, heel langzaam, een glimlach op mijn gezicht te toveren en voor het eerst voel ik dankbaarheid voor wat er was, al was het kort en wat ik heb mogen voelen. Zo vermeerdert het geluk. Het geluk van toen en het geluk van nu. Rijkdom.
  2. Doelloos lopen over straat; uit verveling, frustratie, wanhoop, een vlucht voor verstikking. Nu wandel ik urenlang om simpelweg de beweging van m’n benen te voelen, het leven van de stad te zien, de gedachten in m’n kop de vrije loop te laten. Het zijn dezelfde straten, maar het is een andere ik die er doorheen loopt nu.
  3. Praten met een buschauffeur. Honderd keer dezelfde bus gepakt, maar nu praat ik, vrolijk, zorgeloos en vraag ik me af: waarom heb ik al die dagen in stilte achterin geze
    Mounir 2

    Fotografie van No Candy

    ten? Onzichtbaar. Onaanspreekbaar. Een gesloten vesting met een smartphone in de hand, oren afgeschermd door het dikke foam van mijn koptelefoon. Het is niet de buitenwereld die ik onzichtbaar maak, maar de binnenwereld die ik wegstop, wegdruk, aan het oog onttrek.

In mijn kortstondige momenten van diepe levensvreugde ontmoet ik wel mensen, maar is deze ontmoeting niet georkestreerd door een afspraak. Een vage kennis die opeens aan mijn tafeltje staat, een feest waarvoor ik wordt uitgenodigd, een koppel waarmee ik dans en die me vervolgens naar een volgend feest meenemen en thuiskomen in de ochtend, niet wetend hoe in deze totale achtbaan terecht te zijn gekomen, maar dankbaar voor alle liefde, spontaniteit en zorg van volstrekt onbekenden die als intimi voelen.

  1. In het park met vrienden. De zon die ons streelt in haar warme omhelzing. Barbecue. Waterpijp. Vrienden van vrienden die aanhaken. De warme genegenheid van mensen die precies weten wie je bent, die je geluk vieren en je pijn delen, maar nooit, nee nooit, je succes nodig hebben om zelfverkozen familie te zijn.
  2. Zondagmiddag, zingen uit volle borst over God als koninklijke vorst en zijn zoon, voel me eindelijk veilig aan zijn troon. Na jaren terug in de kerk, durf ik de hemel te betreden en zie ik hoe die in kortstondige momenten van geluk de aarde kust.

Uit die comfort-zone! roept mijn Marokkaanse coach, ik bad om hulp en zie daar was goddelijke beschikking. Vanuit het niets stond ze voor m’n neus. “We gaan aan het werk met jou.”

“Wat moet ik doen?’ is mijn vraag.

Haar reactie: “Wat ga je niet langer laten, is wat ik je uitdaag.”

Kanoën met een vriend, midden in de stad. Vastzitten in een sluis, we hebben misschien geen watervallen of stroomversnellingen, maar wel het kolkende water van die vreemde stenen bak. Na al die jaren dan toch m’n bruidsschat verkopen. Merkwaardige blikken in de winkel. “En hoe zei u dat u aan al dit goud komt ook alweer?”
Zonder blikken of blozen. “Oh dat was voor m’n huwelijk, maar ik ben dus een meneer.”

Naar een stripclub, zo lang met de vrouwen praten. Dat de baas vraagt of ik het establishment wil verlaten. Er moet natuurlijk wel worden gewerkt.

“Je bent een mooie jongen.”

“U een nog mooiere vrouw.”

“Het is omdat het niet mag, maar ik doe het gratis voor jou.”
In de gang loop ik tegen een opgezet stinkdier op met een sjaaltje. Een Brits koppel praat tegen hun “Ruby” en eist dat ik hetzelfde doe. “He’s hurt, you got to apologize.” Langs ons passeren naakte vrouwen links en rechts.

En de Antilliaanse moeders bij de kapstokken maar schateren. Dacht je alles in je leven te hebben meegemaakt, ontmoet je in de gangen van de Banana Bar een koppel dat tegen een opgezet stinkdier praat.

Ik slaap die avond als nooit tevoren. Met hun hartelijke gelach en de fascinerende gesprekken in m’n oren.

Oh leven, waar was je al die tijd? Oh Nederland, waarom ben je je vreugde zo lang kwijt.
Waarom zijn we zo bang dan? Voor wie, of wat?

Angst is de hoogtevrees van de vrijheid – zo noemen we dat.

 

Mounir Samuel (1989) is Egyptisch-Nederlandse opiniemaker, journalist en schrijver. Dit najaar verscheen zijn literaire debuut Liefde is een rebelse vogel (Uitgeverij Jurgen Maas).